> Het Rode Vaderland
De vergeten geschiedenis van de communautaire spanningen
in het Belgisch socialisme voor WOI Uitgegeven bij Uitgeverij Lannoo nv
Tielt i.s.m. met Amsab, 493 blz., 2005
Maarten Van Ginderachter, de auteur (°1973) is licentiaat Germaanse
talen en geschiedenis. In 2005 promoveerde hij tot Doctor in de geschiedenis.
Hij is nu als onderzoeker verbonden aan de vakgroep nieuwste geschiedenis
van de Gentse universiteit. Zijn studie “het rode vaderland”
werd met grote bijval ontvangen door zijn vakgenoten historici. Prof.
Bruno De Wever (Univ. Gent): “Een mijlpaal voor zowel de geschiedenis
van het Belgisch socialisme als de Vlaamse beweging…Tussen het Vlaanderen
van Anseeles volgelingen en het België van hun Franstalige partijgenoten
gaapte een diepe kloof. Het is een verrassende conclusie die vastgeroeste
cliché’s op de helling zet”. Prof. em. Lode Wils (K.U.
Leuven): “ Dit is een radicaal vernieuwend werk waarin een belangrijk
maar nog nooit onderzocht thema grondig is uitgediept en genuanceerd beschreven”.
We verwijzen ook naar de boekbespreking van Jef Turf, in het links Vlaams-nationale
maandblad Meervoud (Meervoud, december 2005).
In wat volgt geven we een syllabus van het boek met een volgens
ons aantal kenmerkende passages van de analyse en de besluiten die de
auteur maakt. Volgens ons een boek dat een standaardwerk is voor elke
sociaal-flamingant.
Hoofdstuk 1: het rode vaderland (pag 1-36)
In dit hoofdstuk stelt de auteur zich de vraag “dekt de vlag de
lading? Over rode vanen, tricolores en Vlaamse Leeuwen”.
Toen de auteur zijn onderzoek aanvatte vertrok hij van de hypothese dat
de Belgische Werkliedenpartij (BWP) van in het begin én Belgisch,
én travaillistisch/socialistisch was.(blz.19). “Mijn bronnen
spraken me echter tegen zoals uit dit boek zou blijken” (blz.20).
De auteur gaat in op de begrippen naties en etnieën. Naties zijn
volkeren met een moderne staat, met duidelijke landsgrenzen, een openbare
opinie, economische eenheid en een wettelijk kader van rechten en verplichtingen.
Volkeren zonder staat zijn etnieën.
Onder de paragraaf “Het Meervoud van het vaderland”, wijst
de auteur erop dat nationale integratie geen kwestie is van alles of niets.
Hij geeft enige uitleg over zijn bronnen en over het de prehistorie van
het Belgisch socialisme (1830-1885).
Hoofdstuk 2: Een jonge partij in het ‘land der papen’
(1885-1889) (blz. 37-147)
In dit hoofdstuk behandelt hij de perikelen rond de oprichting van de
BWP in 1885 onder de titel: “kroniek van een nieuwkomer op het politieke
toneel”.
Onder de titel “het vaderland in de vaart der volkeren” bespreekt
hij de theorieën over de natie bij Marx, Proudhon en anderen. Terwijl
de Duitse en Franse socialisten druk zochten naar een theoretische rechtvaardiging
voor hun houding tegenover het vaderland was de belangstelling van hun
Belgische kameraden nogal minnetjes (blz. 45). Volgens de auteur kwam
de enige voldragen bijdrage van Cesar De Paepe. Naar aanleiding van de
arbeidersonlusten en de stemrechtcampagne van 1886 onderzoekt de auteur
de verschillen in benadering tussen de socialisten van de Borinage en
het Gentse.
De auteur behandelt de interpretaties van de Belgische revolutie waarin
de Vlaamse socialistische voorman Edward Anseele deze van de Franstalige
socialisten verwerpt. Hij zag 1830 als een afschuwelijke daad, beraamd
door de Engelse diplomatie en Leopold van Saksen-Coburg op zoek naar een
koninkrijk. Het was niet de scheiding van België en Nederland maar
van “Noord- en Zuid-Nederland”. E. Anseele was in 1882 een
overtuigd Groot-Nederlander.(blz. 71-75).
Tot besluit van dit hoofdstuk stelt de auteur ondermeer dat “ …als,
de Gentse socialisten zich emotioneel met een vaderland associeerden,
was dat Vlaanderen. Deze Vlaamse identificatie had een uitgesproken anti-Belgisch
trekje. De achterliggende idee was dat België een kunstmatige creatie
was.’(E. Anseele schreef dit onomwonden in zijn roman ‘De
Omwenteling van 1830’).”(blz. 145).
Hoofdstuk 3: Leve het algemeen stemrecht (1890-1894) (blz. 148-
182)
De auteur behandelt in die periode de internationalistische radicalisering
in theorie en het nationaal internationalisme in de praktijk. Volgens
de auteur bleek” het radicale internationalisme van de Belgische
socialisten meer een theoretische fetisj te zijn dan een praktische gedragscode”
(blz. 156).
De auteur verwijst naar de houding van de Gentse socialisten op ene verbroederingsfeest
in Roubaix (Robeke) op 14 augustus 1892. De afvaardiging van Vooruit zou
er 14 liederen spelen waaronder de socialistische klassiekers als la Marianne
en de Internationale maar ook Vlaanderen en Klokke Roeland. De onlusten
tussen Belgische en Franse mijnwerkers in Pas-de-Calais in het najaar
1892 tonen aan hoe verschillend de nationale invulling was die in Brussel,
Gent en de Borinage aan het internationalisme gegeven werd.
Hoofdstuk 4: De verovering van het vaderland (1895-1902) (blz.
185-247)
In de geschiedenis van het Gentse socialisme was 1895 het belangrijkste
jaar voor de Eerste Wereldoorlog. De succesvolle stakingsbeweging van
1895 zorgde voor een toevloed van nieuwe leden wat zich vertaalde in een
grotere electorale slagkracht. Tussen 1898 en 1900 stagneerde de Gentse
federatie, ze slaagde er niet in door te breken op het platteland en de
kiesresultaten en ledenwerving hadden hun plafond bereikt. Op gemeentelijk
vlak was er zelfs een terugval.(blz. 186).
Een belangrijke ontwikkeling in deze periode was ook de sterke opleving
van het Belgisch nationalisme rond 1900. Voor het eerst uitdrukkelijk
werd het conceptueel onderbouwd omdat de Belgische eenheid onder vuur
kwam te liggen van de Vlaamse en Waalse beweging. Edmond Picard ontwikkelde
de “ame belge”. Volgens historicus Eric Defoort is het typerend
dat de verdedigers van deze theorie taal als natievormend element afwezen.
Na de internationalistische radicalisering verzoende Jean Jaurès
de Franse arbeidersbeweging weer met patriottisme. J. Jaurès combineerde
een vurig pacifisme met een oprechte liefde voor zijn revolutionaire vaderland.
Jean Jaurès verklaarde in het Frans parlement op 7 maart 1895 “het
kapitalisme droeg de oorlog in zich omdat in elk land een interne klassenstrijd
gevoerd wordt. Alleen een grondige hervorming van de samenleving naar
socialistisch model kon dat veranderen…”
Voor de Gentse socialisten was het principe van de eenheid van het Belgisch
proletariaat heilig. Maar zij verdedigden het zonder te verwijzen naar
het “eeuwenoud Belgisch volk”. Het beeld van een Belgische
natie waarvan “Vlamingen en Walen de voornaam zijn en Belg onze
familienaam” ontbrak in Gent.
Wat aan anti-flamingantisme aanwezig was bij de Gentse socialisten speelde
sterk mee: de klerikale en anti-socialistische flamingantische Boerenkrijgherdenkingen
van 1898 en de verbittering over het uitblijven van steun voor het algemeen
stemrecht en de evenredige vertegenwoordiging. Wat de zaken extra kruidde
was de onloochenbare stagnatie van de socialistische beweging in Gent.
“Het lijdt geen twijfel dat ‘Arm Vlaanderen’ voor de
Gentse socialisten ook negatieve connotaties van achterlijkheid opriep,
maar tegelijk gaf dit thema uiting aan een authentiek medelijden met hun
Vlaanderen. De auteur gaat dan ook niet akkoord met de Leuvense historicus
Henk De Smaele, die in zijn proefschrift over religie en partij- identificatie
het socialistisch vertoog over “Arm Vlaanderen” eenzijdig
interpreteerde als een afwijzing van het “verkwezelde plattelands-Vlaanderen”.(blz.
246)
Hoofdstuk 5: In het teken van de drie achten (1903-1908) (blz.
249-304)
Vlaanderen was al sinds het ontstaan van de BWP de belangrijkste etnische
achtergrond van de Gentse socialisten, maar in de loop der jaren waren
elementen uit de Belgische mythomoteur beginnen door te sijpelen. Deze
evolutie stopte echter na 1902.
Er was een radicale en bijna exclusieve terugkeer naar Vlaanderen. De
belangrijkste symptomen hiervan waren de sterke nadruk op ‘Arm Vlaanderen’
in de propaganda, de Groot-Nederlandse afwijzing van de Belgische jubelfeesten
van 1905 en het overwicht van de Vlaamsgezinde fracties van Vooruit op
het anti-flamingantisme.
In de BWP traden groeiende communautaire spanningen op, wat regionale
identificatieprocessen begunstigde. De Gentenaars kregen het, naarmate
zij het gevoel hadden ‘Arm Vlaanderen’ voor zich te winnen,
alsmaar moeilijker met de kritiek van hun Waalse collega’s op het
uitblijven van een doorbraak. Het mijnontwerp van 1907 met zijn tweetaligheidsverplichtingen
voor mijningenieurs bracht alles in een stroomversnelling. Het verzet
van Waalse socialisten tegen de introductie van het Nederlands in Wallonië
versterkte de identificatie van de Gentse socialisten met Vlaanderen.
De drie BWP-federaties kenmerkten zich door een uiteenlopende evolutie
die we kunnen samenvatten in een boutade: “Gent wordt Vlaamser,
de Borinage Waalser en Brussel Belgischer”.
Hoofdstuk 6: De rassenstrijd barst los (1909-1914) (blz. 305-358)
In zijn conclusie stelt de auteur o.m. dat de belangrijkste theoretische
vernieuwing was de interpretatie van het Belgisch taalprobleem als een
nationaliteitenkwestie in de lijn van wat zich in Oostenrijk-Hongarije
afspeelde. Zowel Frans- als Nederlandstalige socialisten vergeleken de
Vlamingen met onderdrukte volkeren als de Roethenen, Slovenen, Polen,
Roemenen, Tsjechen en Kroaten.
Op het vlak van de nationale identificatie was er weinig nieuws onder
de zon. De communautaire aanvaringen in de partij waren nauwelijks nog
te tellen. De steun van de Gentse federatie voor Vlaamse taalrechten in
Vlaanderen én Wallonië veroorzaakte openlijke ruzies, die
een “rassenkarakter” kregen omdat de Waalse onvrede over het
klerikale Vlaanderen bij elke verkiezing steeg. Zelfs op de mythe van
het typisch Belgisch socialisme kwam sleet omdat de Gentenaars nadrukkelijker
hun Vlaams socialisme in het zonnetje stelden.
De verhouding van de Gentse federatie tot de Vlaamse beweging was in deze
periode woelig, maar niet onveranderlijk afwijzend. Zelfs wanneer ze elkaar
in de haren zaten, vielen de Gentse socialisten het principe ‘in
Vlaanderen Vlaamsch’ niet af. Vanaf de zomer van 1912 protesteerden
ze weer tegen de taaldiscriminatie van overheidsbedienden en bij de bespreking
van de wet op het lager onderwijs begin 1914 verdedigden ze resoluut het
territorialiteitsprincipe. Natuurlijk speelde electoraal opportunisme
een rol om door te breken bij taalgevoelige middengroepen. Maar de dieperliggende
reden dat de Gentse socialisten zich zonder ideologische problemen in
deze strijd konden werpen, was dat “’t natuurlijk recht in
Vlaanderen het Vlaamsch te bezigen” uiteindelijk een vanzelfsprekendheid
was. Wat op zijn beurt rechtstreeks voortvloeide uit het voor hen onbetwistbare
feit dat er een apart Vlaams volk bestond met eigen onvervreemdbare rechten.
Onder de titel anti-flamingantisch= anti-vlaams gaat de auteur de confrontatie
aan met de stellingen van de Leuvense katholieke em. hoogleraar Lode Wils
die gans zijn loopbaan besteed heeft aan het aantonen dat volgens hem
de Gentse socialisten een hoog aandeel hebben gehad in het “bestrijden
van de Vlaamse bewustwording” omdat zij niet het voortouw hebben
genomen in de taalstrijd. De auteur wijst erop dat loutere steun voor
taalwetten niet het unieke criterium is om de bijdrage van individuen
aan de zogenaamde “Vlaamse bewustwording” te beoordelen.
De Gentse socialisten hebben de verspreiding van deze Vlaamse imagined
community niet bestreden maar integendeel ertoe bijgedragen. Dat de Gentse
socialisten vaak anti-flamingantisch uit de hoek kwamen staat buiten kijf.
Vanwege allerlei lokale omstandigheden (tegenwerking bij stakingen en
verkiezingen) hadden ze een zeer woelige relatie met de Vlaamse beweging.
Dit weerhield de Gentse socialisten er niet van zich voortdurend in te
spannen voor de Vlaamse cultuur. Evenmin betekende dat zij taaleisen zomaar
verwierpen. Hun houding was minder negatief dan men op basis van de Wilsthese
(= verstrengeling van Vlaamse beweging en christen-dmeocratie) zou denken.
De Gentse socialisten hebben zich nooit veréénzelvigd met
de “dominante taal en leidende etnische groep” d.w.z. de Belgische.
Ze hebben zich steeds verzet tegen de verfransing van het proletariaat
vanwege de te hoge sociale kosten. Mogelijk speelden zelfs culturele vooroordelen
mee tegen Frankrijk. Die speelden in de Gentse federatie en sloten aan
bij ene bredere stroming waarin de flaminganten hun anti- Frans ‘gedachtegoed
putten. Hierin verschilden de Gentse socialisten duidelijk van hun collega’s
uit de Borinage die een blinde en anti-Duitse Francofilie huldigden. De
auteur volgt dan ook niet Lode Wils die uit de zogenaamde exclusief francofiele
bezieling van de Belgische socialisten en hun bewondering voor de Franse
Revolutie hun vijandigheid tegenover de Vlaamse volkstaal afleidt. De
Gentse socialisten wilden de kennis van de Franse taal onder de arbeiders
verspreiden, maar niet ter vervanging van hun moedertaal. Ook spoorden
de Gentse socialisten hun Waalse collega’s aan om de tienduizenden
Vlaamse migranten werkzaam in de Waalse industrie niet te vergeten en
hen in hun eigen taal aan te spreken. Hierdoor kwam de Gentse federatie
soms in botsing met de Waalse kameraden die de verfransing weinig in de
weg legden en het Nederlands uit Wallonië wilden bannen. De Gentse
socialisten zetten zich ook voor de gelijkheidswet en de Vlaamse hogeschool
en organiseerden tweemaal een flamingantisch aandoende taalcampagne voor
de bedienden. Ter wille van de partijvrede waren de Gentenaars wel bereid
zich te distantiëren van de georganiseerde Vlaamse beweging, maar
niet om gerechtvaardigde taaleisen te laten vallen.
Eindnoten (blz. 379-478)
Register (blz. 479-444)
Lijst van gebruikte afkortingen, selectieve bibliografie en register (blz.
445-494)
Miel Dullaert, April 2006
|