webstek
voor |
![]() |
|
> Andere teksten: Is onze cultuur nog nationaal ?Over cultuur, volk, natie en welvaartstaat Niets in het heelal is van zichzelf in rust of in beweging: het is slechts de relatie tussen de zaken der gegevenheid die hun dynamiek veroorzaakt. Die dynamiek zit uiteindelijk ook in het kloppend hart der mensen en, in overdrachtelijke zin, in hun aard: ze willen behouden wat goed is en veranderen wat slecht is. Maar het is zeer moeilijk uit te maken welke maatschappelijke tegenstellingen op een specifieke plaats en op een specifiek tijdstip ten gronde liggen aan menselijke keuzes en evoluties. “Vergeet de verzonnen communautaire strijdpunten en houdt u bezig met de echte problemen” zeggen de Belgische opiniemakers keer op keer. Deze tekst gaat hierop in. Hij vloeit voort uit een aantal gesprekken onder Vlaams-nationalisten uit het Leuvense. De vraag die op tafel kwam was: is onze cultuur nog wel nationaal? Ik ben al blij dat deze vraagstelling impliceert dat onze cultuur tenminste ooit nationaal geweest is. Maar ze wijst er wel op dat ook de Vlaams-nationale rangen in twijfel geraken door (1) het elitair cultuurpessimisme aangaande de ‘massa-maatschappij’, en/of (2) het kosmopolitisch enthousiasme voor deze of een andere ‘globalizatie’, en/of (3) het onoplosbare debat over de ‘multiculturele samenleving’. Cultuur Laat ons beginnen met te zien wat de term cultuur omvat. Cultuur is alle omvorming van de natuur door de mens. Maar de Mens, a.h.w. een Generiek Individu, die altijd en overal op dezelfde manier ingaat op zijn eigenbelang bestaat niet. De mens is steeds een specifiek individu dat zich in een bepaalde tijd en op een bepaalde plaats situeert; een individu dat geboren wordt uit en zijn leven leidt in een verband met andere mensen. Wat elke boreling biologisch mee de wereld inbrengt is zijn capaciteit om sociale relaties aan te knopen. Dit vermogen wordt slechts in gang gezet door de handelingen van diegenen die het kind omringen en vormt de kapstok voor de culturele verwervingen van het kind tijdens zijn ontwikkeling. Cultuur slaat dus steeds op een concrete samenleving: cultuur is het geheel van eigenschappen die het stoffelijke, maatschappelijke, zedelijke, kunstzinnige en talig-verstandelijke samenleven van een specifieke menselijke gemeenschap kenmerken. Wat de leden van een samenleving weten, kennen en kunnen, wat ze geloven, waar ze vatbaar voor zijn, wat ze als gewoon en normaal beschouwen en wat ze goed- en afkeuren heeft als bron en voedt ook weer hun cultuur. Cultuur is m.a.w. dynamisch: de evolutie van de instellingen binnen een samenleving wordt door de cultuur beïnvloed en beïnvloedt op zijn beurt weer de cultuur; en tussen culturen is er een gedurige uitwisseling van elementen. De mensen werken actief in op wat zij aan ‘cultuur’ ontvangen hebben om op hun beurt te kunnen beantwoorden aan de problemen van de huidige omstandigheden; alzo moet elke culturele erfenis traag maar zeker evolueren. Een samenleving is dus een proces van interactie en interdependentie tussen menselijk gedrag en institutioneel raamwerk. Voor de mens die leeft in een maatschappij is de cultuur ervan zijn referentiekader: cultuur geeft de mens zijn identiteit. Een identiteit die natuurlijk ook evolueert maar eigenlijk dezelfde blijft zolang de cultuur niet zodanig drastisch veranderd wordt dat de samenhang van de groep vervalt. Volk De vraag is nu natuurlijk wélke samenleving we bedoelen als we het over een cultuur willen hebben. Het is de laatste decennia erg in de mode te stellen dat een mens zijn leven leidt in allerlei verbanden tegelijk. Deze stelling is m.i. niet helemaal onzinnig want elke mens behoort onmiskenbaar tegelijk tot verschillende concurrerende categorieën qua maatschappelijke macht en onderschikking. Sommigen spreken over uitdeinende concentrische cirkels rond het individu : het huishouden, de buurt, de gemeente, de streek, de provincie, het land, het continent, de wereld. Anderen spreken liever over elkaar snijdende ‘sferen’: de mens thuis, op het werk, onder vrienden, als kiezer, als consument, …, als wereldburger, … Allemaal vormen van samenleven met een cultuur. Het komt er altijd op neer dat iedereen meer dan één identiteiten heeft. En al die identiteiten zijn (en vanaf hier ben ik het er niet meer mee eens) even relevant, of even denkbeeldig, behalve dan die van wereldburger… Dat is de belangrijkste en enig waarachtige. Want er zou zoiets zijn als een universele, onveranderlijke menselijke aard en bijgevolg zouden alle culturen kunnen teruggebracht worden, hetzij in een donker verleden, hetzij in een wenselijke toekomst, tot een eenheidsmodel. En de promotie van het wereldburgerschap tot het meest reële moet, voor voluntaristen van allerlei slag, tegelijk ook het ontmaskeren van de volksgemeenschap als het meest imaginaire zijn. Het klinkt mij dunkt de neo-liberalen telkens als muziek in de oren wanneer ze de weldenkende opiniemakers horen verkondigen dat er inderdaad tijd- en plaats-specifieke culturele patronen zijn die, bij gelegenheid, het individueel gedrag bepalen en beperken, maar dat dit eigenlijk zeer te betreuren valt. En toch blijft ‘het volk’, van binnen uit, de meest alomtegenwoordige manier van collectieve identificatie. En van buiten uit is het volk ontegensprekelijk de duidelijkst herkenbare culturele omschrijving. De geschiedenis van het menselijk leven op aarde, het gevecht van de mens met zijn natuurlijke omgeving, heeft gemaakt dat de mensheid zich opdeelt in min of meer uitgebreide levensgemeenschappen met territoriale, demografische, economische en culturele continuïteit m.a.w. in groepen met zeer verwante levensomstandigheden, levensonderhoud, levenswijze en levensbeschouwing. Zo’n groep is een volk. Men kan de volkeren trachten te verzwijgen, te ridiculiseren, weg te denken of aan te vallen, het verschijnsel blijft een belangrijke historische constante. De mensheid is door zijn eigen beperkingen en door die van de omgeving haast verplicht zich telkens weer via volkeren te organiseren. De factoren tijd en afstand zullen nooit geheel overwonnen kunnen worden en de biologische creatie van een nieuwe mens is nog niet voor morgen. Niets belet ons de cultuur van grotere, abstractere groepen of periodes te beschouwen, zoals ‘de Grieken in de Oudheid’, ‘de Beschaving van het Avondland’, ‘de Arabische wereld’. Voorwerp van beschouwing is daarbij het proces of stadium van esthetische, intellectuele en spirituele ontwikkeling m.a.w. de beschaving. Ook is het perfect mogelijk te spreken over kleinere verbanden of groepen m.n. sub-culturen: het gaat hier dan om een beperkt aantal aspecten waarin die specifieke deelgroep uitblinkt of afwijkt. Maar als we het over een cultuur hebben, bedoelen we bijna altijd een volk, want alleen een volk is tegelijk én ondeelbaar maatschappij (socio-economische onderbouw), samenleving (politico-sociale bouw) als gemeenschap (cultureel-politieke bovenbouw). En aangezien we cultuur als iets dynamisch omschreven hebben, is het zo dat volkeren kunnen ontstaan, maar even goed kunnen delen, opgaan en zelfs vergaan, al is dit in tegenspraak met een bepaalde liedertekst. Natie De beginvraag luidde of onze cultuur nog wel nationaal was. Wat is dan het verschil tussen een volk en een natie? Een natie is een volk in het spel van maatschappelijke macht, in de context van politieke instellingen; een volk als politieke factor. De regerende en bestuurlijke instellingen van een samenleving noemen we de staat. De ‘moderne’ natie is de resultante van de ontstaansgeschiedenis van de West-Europese staat, de staatsvorm die door zijn economische en politieke ‘superioriteit’ het model voor de rest van de wereld is geworden. De ene noemt het de kapitalistische staat, de andere spreekt van de liberale democratie. Het is natuurlijk niet zo dat de moderne staat als een ‘deus ex machina’ zo rond 1750 met het industrieel kapitalisme opdook en dat het fenomeen natie eventjes later het daglicht zag. Het is ook niet zo dat de staat enerzijds wel zijn wortels in de Middeleeuwen heeft maar dat de natie anderzijds pas in 1789 als een aap uit de mouw kwam toen de revolutionairen in Frankrijk verklaarden: “Het beginsel van elke soevereiniteit berust wezenlijk bij de natie”. Nee, de historische ontwikkelingen van staat en natie lopen gelijk: van in den beginne volgt de natie de staat op de voet. Het is een proces van wederzijdse beïnvloeding doorheen feodaliteit, koopmanskapitalisme, mercantilisme en industrieel kapitalisme. De moderne natie is dus geen uitvindsel van de heersende klassen van de staten, maar de uitkomst van krachtsverhoudingen. De staat zet de natie in werking: de aanwezigheid van de staat maakt bij het volk subjectieve gevoelens van lotsverbondenheid los. Het volk wordt een wilsgemeenschap. En hoe complexer en ingrijpender de staat wordt, hoe heviger die wil kan worden. Staatsvorming gaat immers uit van een cultuur met een duidelijk centrum maar geen eenduidige buitengrenzen: om de organisatorische evolutie met die van de bevolking in evenwicht te krijgen is een aflijning echter nodig. Een staat wordt dus steeds gekenmerkt door een zekere mate van in- en uitsluiting, meerderheden en minderheden, regionale verschillen en een ingewikkelde sociale stratificatie: m.a.w. eenmaking en diversificatie. Voor een kapitalistische staat blijkt regionale ongelijkheid zelfs van wezenlijk belang. De staat tracht daarom de natie te boetseren om zijn macht in de samenleving te kunnen verankeren en de natie wil zijn vormen opdringen aan de staat. Cultuur en politiek willen samenvallen. Meer nog: cultuur is een bij uitstek politiek gegeven. Vandaar de tendens naar de nationaalstaat. Van nationalisme spreken we wanneer een bepaald volk zijn loyauteit aan een staat opvijzelt om die staat te versterken, of wanneer een volk vormen van politieke zelfstandigheid eist (regionale autonomie, decentralisatie, zelfbestuur) of wanneer een volk een staatsverband wil afvallen, creëren of vervoegen. Het is dus voor de politieke klasse van enorm belang de wil van een volk te kunnen beïnvloeden: de natie is de inzet van de strijd tussen maatschappelijke belangengroepen. Wie de natie controleert, bepaalt richting en doel van de samenleving, of, beter gezegd: het verdere politieke, economische en culturele pad van het volk. In ons tijdperk, waarin de staat een verregaande sociale en economische integratie vereist, is een volk zonder eigen staat onvermijdelijk op weg zijn eigenheid, zijn verleden en toekomst te verliezen. En dit geldt dus ook voor volkeren die ‘vormen van autonomie’ genieten, al gaat het daar niet ‘zienderogen’! Op lange termijn is het alles of niets… Welvaartstaat Het slaat sommigen met angst en anderen verblijden zich erin wanneer ze vaststellen dat onze cultuur vervlakt, dat er meer en meer opzichtige ‘exogene’ elementen onze cultuur binnensluipen en dat er aanzienlijke groepen migranten binnen onze culturele ruimte leven. Hierin schuilt echter niet het grote gevaar of geluk. De Vlamingen zijn tot vandaag nog ontegensprekelijk een volk. Het maatschappelijk leven speelt zich hoofdzakelijk en doorslaggevend af binnen Vlaamse culturele lijnen: het economisch productie- en distributiesysteem, de technische productie, het systeem van ouderschap en familiale organisatie, de politieke en levensbeschouwelijke organisatie, de taal, kunst, filosofie en wetenschappen. En we zijn vast en zeker ook een natie: vriend en vijand bejegent ons volk als een politieke speler. Iedere Belg, Vlaming of niet, is zich bewust van het bestaan van een Vlaams volk. Een volk met een gezamenlijke, beïnvloedbare wil. De Belgische staat heeft de Vlamingen als natie afgelijnd, een natie die ondanks haar bestaan binnen België tot nu toe haar eigenheid heeft kunnen handhaven en die zelfs vormen van autonomie verworven heeft. Waarom dan is de evolutie richting Vlaamse staat stilgevallen, of staat ze zelfs in haar achteruit? Waarom verwerft onze nationale cultuur geen volkomen politieke status? Waarom doet de Vlaamse volkswil België niet uit elkaar vallen? Welke diepere oorzaak heeft het taboe dat rust op het separatisme? De staatsschuld, de kwestie Brussel, het koningshuis, de Waalse staatsmanskunst en de opgevoerde belgicistische propaganda e.d. spelen hier sterk in mee, maar m.i. niet in de hoofdrol. We moeten het gaan zoeken in het gewicht van de welvaartstaat. Ondanks, nee, juist wegens de ‘globalizatie’ blijft de heersende klasse zich focussen op de nationaalstaat om zichzelf te bestendigen. Er wordt misschien wel ingeboet aan soevereiniteit, maar tegelijk worden alle Westerse staten gedurig uitgebreid. De Belgische welvaartstaat, met haar politieke uiterlijkheden van compromisdemocratie en federalisme, bindt de bevolking die van haar geniet aan zich. Maar niet alle aspecten ervan veroorzaken eenzelfde loyalisme en bepaalde delen kunnen gerust geregionaliseerd worden, of zijn het al, zonder dat België breekt. Het zou zelfs kunnen dat België ooit ook de sociale zekerheid qua in- en output aan de ‘deelstaten’ overlaat zonder dat die staat ophoudt te bestaan De crux van de welvaartstaat zit’m in het neo-corporatief systeem van arbeidsverhoudingen. Binnen dit centraal institutioneel raamwerk wordt vorm gegeven aan de arbeidsvoorwaarden en de politieke economie. Dus vergis u niet: in dit ‘tripartiete overleg’ worden de essentiële beslissingen genomen inzake economische ontwikkeling en sociale bestaanszekerheid en het gebeurt helemaal onder ‘sociale partners’ die niet verkozen zijn. Alles passeert buiten het zicht en de invloed van de bevolking, buitenparlementair en deels slechts naar gewoonterecht. Het neo-corporatisme marginaliseert nog verder de reeds uitgeholde representatieve democratie. De macht van de serviele technocraten gaat aldus zelfs boven die van de particratie. Het is vanuit dit kader dat er richtlijnen naar de partijpolitiek gaan en weinige andersom. Twee van de drie spelers in de ‘overlegeconomie’ verzekeren de belangen van het mondiaal kapitalisme: de werkgevers op korte en de Belgische staat op lange termijn. De derde ‘partner’ is de vakbeweging, de vertegenwoordigers van de loon- en weddetrekkende bevolking. Qua taalkundige indeling en spreiding over de sectoren van de leden zijn er eigenlijk een Vlaams (ACV) en een Waals (ABVV) verbond. Maar de vakbonden vertonen een strijdend loyalisme aan de Belgische structuren en verspreiden dit onder de bevolking via de bredere sociale beweging. Het feit dat de arbeiderscentrales de andere nog steeds overblaffen en het enorm aantal posten in de syndicale bureaucratie zijn hier niet vreemd aan. De vakbonden zijn toch zo blij dat ze erkend worden als partner, dat ze zelfs bijna een monopolie over de vertegenwoordiging van het salariaat mogen hebben en zodoende betrokken worden in de centrale collectieve onderhandelingen. De werkgevers subsidiëren de ledenbijdragen via de syndicale premies, de staat financiert gedeeltelijk de vakbondsstructuren en de bonden trekken leden aan omdat ze helpen in het beheer en de verdeling van allerlei uitkeringen. De vakbeweging legt bijgevolg, buiten het peuteren aan loon- en arbeidsvoorwaarden, eigenlijk geen strobreed in de weg aan het industrieel patronaat, de kapitalistische staat en de neo-liberale regeringen. Hun depolitisering en incorporatie maakt de vakbonden in wezen conservatief. De diepste motivatie der mensen bestaat erin de besteding van tijd en energie te minimaliseren, welvaart en welzijn te maximaliseren en rijkdom van de ene generatie op de volgende te kunnen doorgeven. Hun stellingname tegenover concrete onderwerpen van maatschappelijk debat gebeurt niet onder rechtstreekse invloed van de machthebbers maar is het gevolg van gezamenlijke reflectie met de andere leden van hun primaire groepen: het huishouden en de werkplek, de omgevingen waar de factor arbeid op zijn belangrijkst is. De gewone Vlamingen (en Walen), actief of niet actief, zitten weliswaar te paard tussen hun natie en de staat maar ze voelen aan dat wie de arbeid controleert, het laatste woord heeft over hun levensonderhoud en welvaren, over hun zelfverwezenlijking en aanzien. Hun deemoed tegenover die voor hen abstracte instantie kan, zeker in slechte tijden, alleen maar toenemen. Wie in een staat de arbeidsverhoudingen beheert, is baas over de ontwikkeling en instandhouding van de maatschappij, accapareert de natie en legt zijn voorwaarden op aan de politieke consensus. Het is via de geïnstitutionaliseerde arbeidsverhoudingen dat België de ultieme handrem aanhoudt op het Vlaams sociaal proces (van industrieel kapitalisme richting diensteneconomie), op emancipatie en democratisering. Dus traag maar zeker, haast ongemerkt, zal onze cultuur denationaliseren. Tien jaar lang hebben de neo-belgicisten het federalisme gevierd en verheerlijkt. Maar nu moet het neo-unitarisme aan de slag. De Vlaamse eigenheid moet vervallen tot folklore, leuk maar zonder veel belang. Festivals op 11 juli zijn “tof” en barbecue’s “gezellig”. Maar wie voortaan aan Vlaanderen refereert om fundamentele verandering te eisen, getuigt van een onmenselijke bekrompenheid. De hoop van de Vlaamse Beweging op een herstel van de democratie ligt dus in een progressief syndicalisme… Het is quasi onmogelijk om op succelvolle manier een eigen syndicale structuur uit de grond te stampen. Wij Vlaams-nationalisten kunnen dus haast niet anders dan de Vlaamse arbeidersbeweging, het ACW in de eerste plaats, trachten van onder op bewust te maken van haar nationale roeping.
Theo Van Heijst, September 2003
|
| [ SFL: p.a. Leuvensebaan 109, 3220 Holsbeek ] [ ARGENTA: 979-5930107-17 ] [ IBAN: BE61 9795 9301 0717 - BIC: ARSPBE22] |