webstek voor
linkse republikeinen
en progressieve nationalisten

Openingsblad
 
Alles over SFL
Manifest
Organiserend comité
Teksten
Steun SFL
Contact
 
Overzicht

 

> Voor een fusie van het Brussels Gewest met het Vlaamse

Deze tekst kunt u onderschrijven door een bericht te sturen naar jan@landdag.org (voornaam, naam, plaats zijn verplicht)

De federale verkiezingen van 10 juni zijn niet ver af meer en daarna dient er zich hoogstwaarschijnlijk een nieuwe communautaire overlegronde aan. Het is welhaast veertig jaar dat men in België bezig is de staat te hervormen en nog is de Belgische versie van het federalisme niet voltooid. Het centrale probleem in België zijn natuurlijk niet de episodische wrijvingen tussen Walen en Vlamingen, maar wel de bevordering van de negentien Brusselse gemeenten tot een Derde Gewest. En er rust blijkbaar een taboe op het ter discussie stellen van deze promotie…


De niet-partijpolitieke Vlaamse beweging heeft een drieledig federalisme altijd beoordeeld en verworpen, niet (alleen) vanwege de mogelijke resultaten, maar reeds om het kwaad dat in de oorzaak schuilde: het invoeren van een politiek-administratieve grens tussen een hoofdstad en haar natuurlijk achterland omwille van cultureel-linguïstische redenen. Het is echter zonder enig leedvermaak dat wij vandaag op de gevolgen moeten wijzen om de onzinnigheid van de constructie “Brussel Derde Gewest” aan te tonen.

Brussel-19 als autonoom gewest betekent volgens ons een dubbele breuklijn met de realiteit.

Vooreerst betekent het bestaan van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (BHG) een ‘technische’ breuk binnen de grootstad tussen de kernstad en de rest van de agglomeratie. Het grondgebied van het BHG werd om taalredenen beperkt tot de 19 gemeenten, dit is: tot de vooroorlogse agglomeratie. We mogen echter gerust stellen dat ondertussen zo goed als geheel Vlaams-Brabant (en maar een klein stukje van Waals-Brabant), naar de versteding, met Brussel-19 vergroeid is en dat het er, micro-economisch en verkeerstechnisch, een eenheid mee vormt. Dat is een realiteit. Gezien de wereldwijde urbanisatietrend, en rekening houdend met de geografische ligging en de internationale functies, zal deze agglomeratie blijven groeien. Dat een klein, centraal stukje daarvan (het BHG) apart beslist over het beleid inzake grondgebonden materies is dan ook een serieuze anomalie. De groei moet eigenlijk voorzien, gepland en geleid worden over de hele grootstedelijke ruimte. Men kan slechts tot een coherent beleid inzake ruimtelijke ordening en infrastructuurvoorziening komen indien één enkele overheid daarvoor bevoegd is. Anders zal de vestiging van industrie- en dienstengebieden en van woonzones een chaotisch verloop kennen. Anders zal de nodige infrastructuur voor wegverkeer en openbaar vervoer voor eeuwig uitblijven (denken we maar aan het GEN), terwijl de congestie blijft toenemen. Anders kan er geen werkgelegenheidsbeleid komen dat daadwerkelijk de hoge werkloosheid binnen het BHG verhelpt (o.a. door de bevolking ernstig op te leiden om in twee talen te kunnen functioneren). Anders zal een doelmatige politiek voor huisvesting, sociale woningbouw en stadsvernieuwing nooit vorm krijgen. Anders zal de verloedering de stadsvlucht blijven versnellen en zal het BHG, door de uittocht van opgeleide, rijkere bevolkingslagen en de jonge (aanstaande) gezinnen, verder in zijn fiscale impasse en stedelijke crisis verzand geraken.

Zoals alle hoofdsteden, heeft Brussel de uitbouw van een zeer complexe en dure infrastructuur nodig om al haar functies te kunnen vervullen. De stedelijke crisis waarin het verkeert, maakt echter duidelijk dat het BHG niet alleen in de technische onmogelijkheid is om zijn gewestelijke bevoegdheden uit te oefenen. Maar ook dat Brussel als apart gewest in elk geval financieel onleefbaar is, zelfs indien men het Gewest zou uitbreiden tot en met alle Vlaams-Brabantse gemeenten die tot de reële agglomeratie behoren (Vlaanderen mag trouwens geen enkele uitbreiding aanvaarden). Alleen het Vlaamse Gewest kan het bestaan en de uitbouw van de hoofdstedelijke zone, financieel en economisch, op zich nemen. En dit zou alleen maar normaal zijn, want Brussel ligt met al zijn vezels verankerd in de Vlaamse economische ruimte.

Hier stoten we dan ook op de tweede breuk. Een autonoom BHG betekent een politieke kloof tussen de grootstad en haar uitgestrekte complementaire achterland. Brussel bestaat niet in isolatie, maar is een integraal deel van de bredere structuur die Vlaanderen heet. Ook dat is een realiteit. Brussel, Antwerpen, Gent, Mechelen, Aalst en Leuven vormen zichtbaar één immense conurbatie en het is niet toevallig dat die steden dicht bijeen gelegen of aaneengegroeid zijn. Het wijst op één functionele grootstedelijke ruimte. De Vlaamse Ruit heeft als economische ruggengraat de as Brussel- (Mechelen)-Antwerpen, maar deze structuur wordt aangevuld door de as (Aalst)-Gent, de andere grote stad, maar ook met de regionale steden Brugge, Kortrijk, Leuven en Hasselt-Genk. Ze vormen een ingewikkeld netwerk van functionele relaties. Vooral in de dienstensector speelt Brussel een belangrijke rol in de Vlaamse economie, en de diensten vormen vandaag de centrale productiewijze van Vlaanderen. Maar eigenlijk is Brussel, in elk opzicht, de economische hoofdstad, het kloppende hart van Vlaanderen. Brussel en Vlaanderen vormen één onscheidbare sociale en economische entiteit en die wordt best als één geheel bestuurd.
Wanneer men, bij volgende staatshervormingen, de drieledige lijn zou aanhouden bij de overdracht van economische bevoegdheden naar de Gewesten, dan komt Vlaanderen in een onhoudbare positie te staan. Want dat zou betekenen dat de Brusselse Gewestregering zeggingsschap en controle krijgt over een zeer belangrijk deel van de Vlaamse economie, namelijk over de instellingen en bedrijven van de dienstensector die in het BHG gevestigd zijn. Dit zou, naar alle waarschijnlijkheid, binnen de kortste tijd leiden tot een toenemende ontwrichting van het algemeen economisch beleid, uit te stippelen door het Vlaams parlement en de Vlaamse regering. Met het toebedelen van meer economische beslissingsmacht aan het derde, Brussels Gewest zou het conflict tussen Vlaanderen en de Brusselse francofonie een veel dramatischere en fundamentelere dimensie krijgen.

Voor een buitenstaander is het onbegrijpelijk dat, in een federaal systeem met Gewesten en Gemeenschappen, Brussel-19 een Gewest geworden is. De Duitstaligen vormen toch gewoon een Gemeenschap binnen het Waalse. Wij begrijpen echter dat het de emotionele afkeer van Franstalig Brussel tegenover het Nederlands is die de oorzaak vormt van het bestaan van het Derde Gewest. Sinds 1830 was de Francofone bourgeoisie de politiek heersende klasse in België en concentreerde die zich in Brussel. Doordat Frans spreken hét distinctief kenmerk was van de hogere klassen, gingen, toen Brussel uitgroeide van een provinciestad tot een grootstad, ook de middenklassen en daarna de volksklassen, overschakelen naar het Frans.

Het is dit sociaal stigma van het ‘Vlaams’ als taal van de machteloze, dat nog steeds determinerend is voor de sterk emotionele reactie van de Brusselse Francofonen op elke – echte of vermeende – poging tot vernederlandsing van Brussel. Elke evolutie in die zin wordt aangevoeld als een bedreiging van de sociale status van elke individuele francofoon. In deze analyse is de scherpe weerstand van de francofone Brusselaar tegen het Nederlands, en de onwil van de uitgeweken Franstaligen in Vlaams-Brabant om zich aan te passen, een direct gevolg van de positie van een Franstalige toplaag als politiek heersende klasse van de Belgische staat. Of minstens van de – correcte - perceptie, bij de brede Francofone massa, van het Frans als taal van het establishment. Er heerst bij de Brusselse Francofonen een diep ingeworteld gevoel dat de Franse taal het instrument is van hun sociale promotie, de band waarmee zij zich sociaal identificeren met de reële machtselites. Indien de verfransing van Brussel nog steeds verder gaat en zelfs uitbreiding neemt, is dat omdat de Francofone Brusselaar – en de migrant – in de overtuiging blijft leven dat de uiteindelijke macht in dit land nog steeds berust bij de francofone bovenlaag. Hebben zij ongelijk? Helemaal niet! De macht van de oude heersende klasse zal blijven bestaan, zolang de door haarzelf opgerichte staatsstructuur blijft bestaan. Die perceptie van het Frans als sociaal superieure taal zal niet verdwijnen, zolang de Belgische staat het institutionele kader blijft waarin alle belangrijke politieke beslissingen worden genomen; en zolang Brussel zich, als apart Gewest, kan afschermen van een nakende uitbreiding van de politieke zeggingsschap van een Vlaamse deelstaat, waar een eigen Vlaamse leidende klasse ook een reële politieke macht zou gaan uitoefenen.

Daarom willen de vertegenwoordigers van de ‘oude’ Brusselse Francofonen (nog zo’n 35% van de bevolking) van het BHG een zuiver Franstalige stadstaat maken, met eigen wetten en bestuur, die geen enkele externe soevereiniteit erkent, waar een minderheid van de bevolking de politieke macht in handen heeft en die alleen in geval van (eigen) nood met anderen wat wil samenwerken (als ontvangende partij, wel te verstaan). Het toepassen van de taalwetten is de laatste prioriteit geworden, de honderdduizenden Vlaamse pendelaars weigert men een onthaal in de eigen taal, en men steigert wanneer de Vlaamse overheid rechtstreeks in Brussel zou gaan investeren. De Brusselse ‘oude’ Francofonen wensen geen “Vlaamse schoonmoeder”. Maar ze willen wel het geld van die schoonmoeder. Want het BHG eist alsmaar meer middelen van de federale schatkist, zogezegd zonder te weten dat elke Belgische euro uit 70 Vlaamse cents bestaat. Laten we ze nu al maar duidelijk maken dat Vlaanderen een verdere herfinanciering van het BHG niet ziet zitten.

Vlaanderen moet vandaag tot het besef komen dat de staatshervormingen tot nu toe, op drieledige basis, eigenlijk niet veel veranderd hebben aan de reële machtsverhoudingen in dit land. Door van Brussel-19 een volwaardig Gewest te maken is de macht van het francofone establishment bestendigd en zelfs versterkt. Tegelijk dreigt deze historische fout, op termijn, met de voortschrijdende uitbreiding van de Brusselse grootstedelijke ruimte, het bestaan zelf van het Vlaamse volk als natie, zich bewust van haar eigen identiteit, in gevaar te brengen. Het woekerend neo-unitarisme bij bepaalde politieke, academische en artistieke elites is een teken aan de wand.

Een oplossing voor het probleem Brussel moet volgens ons duurzaam zijn en het algemeen belang dienen. Het spreekt vanzelf dat daarbij alle partijen een beetje water in de wijn zullen moeten doen.

Die oplossing kan nooit zijn dat Vlaanderen Brussel laat vallen. Wanneer Brussel politiek volledig van Vlaanderen gescheiden zou worden, betekent dat een vivisectie op onze economie, een amputatie van onze reële en natuurlijke hoofdstad. En de creatie van een nieuwe hoofdstad (bijv. in Antwerpen) is een zeer langdurig en moeizaam proces, zonder enige garantie op succes. Ondertussen zal de rompstaat Vlaanderen psychologisch uiteenvallen in een aantal folkloristische baronieën, elk met hun eigen tussentaaltje en provincialistische subcultuur.

De enige oplossing die een win-winsituatie oplevert, is de oplossing die de niet-partijpolitieke Vlaamse Beweging zich altijd tot doel heeft gesteld. Dit is de tweeledige Belgische confederatie, waarin de Vlaamse deelstaat alle gebieden ten noorden van de taalgrens omvat. Al wie op dat grondgebied woont is dan ook Vlaming, ook al bekent hij zich niet tot de Nederlandse cultuur. Daartoe moet Vlaanderen in een volgende communautaire gespreksronde de fusie van het Brussels Gewest met het Vlaamse Gewest (waardoor de Vlaamse regering de grondgebonden bevoegdheden over Brussel-19 verkrijgt) als eerste prioriteit naar voren schuiven. De materiële en sociale verloedering van het BHG enerzijds en de sterke Vlaamse economie anderzijds zijn daarbij onze doorslaggevende argumenten. De Franstaligen moeten eindelijk inzien dat Brussel afzonderlijk niet kan bestaan, zelfs niet met een D.C.-statuut of in een constructie Wallo-Brux. Dat is de toegift die zij moeten doen.

Het enige wat Brussel belet deze realiteit te erkennen en aanvaarden is hun irrationele afkeer van al wat Vlaams en Nederlandstalig is. Daarom moet Vlaanderen bereid zijn de Franstaligen, geconcentreerd in en om Brussel, als een – grondwettelijk beschermde - culturele minderheid weer in zijn schoot op te nemen, zonder van hen een voorwerp te maken van enige politieke of administratieve vervlaamsingsdruk. De Vlaamse deelstaat staat ook financieel garant dat deze Franstalige gemeenschap haar bevoegdheden qua cultuur, onderwijs, gezondheidszorg en andere persoonsgebonden materies in Brussel-19 en in de faciliteitengemeenten kan uitvoeren. De persoonsgebonden bevoegdheden voor de Nederlandstalige inwoners van Brussel komen dan best rechtstreeks aan de Vlaamse regering, zonder de tussenschakel van de VGC. Brussel-19 wordt dan op zich weer best een fusiestad zoals Antwerpen, met één gemeenteraad, schepencollege en burgemeester, aangevuld met districtsraden.

Dit voorstel is volgens ons de enige manier waarop het probleem Brussel een oplossing kan vinden, die de legitieme belangen van de Franstalige Brusselaars verzoent met het Vlaamse algemeen belang. De objectieve basis van deze oplossing bestaat reeds: onze Vlaamse economische macht.

De enige hinderpaal is subjectief en ligt in het te trage bewustwordingsproces in Vlaanderen zelf. Wij beschikken nog niet echt over een politieke klasse die durft in te gaan tegen de arrogantie van het Franstalig establishment. Vlaanderen moet meer zelfverzekerd worden, en zich tegelijk genereus opstellen (wat sommigen een inclusief nationalisme noemen). De Vlaamse beweging zou er dus best aan doen van nu af aan de geesten voor te bereiden op deze beslissende keuze: Vlaanderen mèt Brussel, of géén Vlaanderen.

 

  • Willy Courteaux (Brussel, oud-journalist)
  • Freddy de Pauw (Brussel, journalist)
  • Jef Turf (Gent, journalist, oud-voorzitter KP Vlaanderen)
  • Ludo Abicht (Antwerpen, filosoof)
  • Julien Borremans (Geraardsbergen, OCMW-raadslid)
  • Christian Dutoit (Brussel, hoofdredacteur Meervoud)
  • Nico Van Campenhout (Lokeren, historicus-stadsarchivaris)
  • Jan Peumans (Riemst, Vlaams parlementslid)
  • Tom Carnewal (Zottegem, gemeenteraadslid)
  • Ludo Docx (Donapaleu -Baskenland, priester-activist)
  • Yvan Vanden Berghe (Antwerpen, gewoon hoogleraar UA)
  • Paul Eyben (Hamont-Achel)
  • Geert Leroy (Lommel)
  • Jan Dhaene (Kortrijk, gewezen europees parlementslid)
  • Pol Van Caeneghem (Gent, medeoprichter Werkgroep Arbeid)
  • Peter De Graeve (Brussel, filosoof)
  • Henk Cuypers (Erps-Kwerps)
  • Peter Plas (Dilbeek, jurist)
  • Peter Balcaen (s.l., non Coquus)
  • Michael Knaepen (Puerto de la Cruz, Tenerife)
  • Jelle Versieren (Oudenaarde, student)
  • Brecht Arnaert (Gent, sociaal werker)
  • Albert Pardon (Deurne)
  • Jan Peremans (Mortsel, geneesheer-kolonel, res.o.r.)
  • Marc Vincké (Kontich, medeoprichter Werkgroep De Witte Kaproenen)

 

Deze tekst kunt u onderschrijven door een bericht te sturen naar jan@landdag.org (voornaam, naam, plaats zijn verplicht)

 

     
 

[ SFL: p.a. Leuvensebaan 109, 3220 Holsbeek ] [ ARGENTA: 979-5930107-17 ] [ IBAN: BE61 9795 9301 0717 - BIC: ARSPBE22]